Eindhoven,
27
juni
2018
|
17:06
Europe/Amsterdam

Deugt het onderzoek aan de hogeschool?

De kwaliteit en integriteit van praktijkonderzoek

Bijna tien jaar geleden waarschuwde hoogleraar Frits van Oostrom nog voor ‘toganijd’ en ‘universiteitje spelen’. Inmiddels hebben lectoren op hogescholen met hun ‘praktijkgericht onderzoek’ een belangrijke rol: ze bouwen de brug tussen de wetenschap en het bedrijfsleven. Maar praktijkgericht onderzoek gebeurt per definitie in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven. Hoe voorkom je ongewenste invloed? En wie ziet toe op de kwaliteit van het onderzoek op de hogeschool? Bron zocht het uit.

door Marten van de Wier

De hbo-raad, de voorganger van de Vereniging Hogescholen, kwam in 2010 met een gedragscode waaraan onderzoekers in het hbo zich moeten houden. Daarin staat dat ze moeten handelen in het algemeen belang, dat ze respectvol, zorgvuldig en integer moeten zijn en hun keuzes moeten verantwoorden. Onderzoekers moeten ‘autonoom’ zijn in de analyse van hun data, en zorgen ‘dat deze niet gestuurd wordt door gewenste uitkomsten conform de agenda van deze of gene commerciële of politieke groepering’.

Commerciële invloed
Ger PostHoe gaat dat in de praktijk? Volgens Ger Post, lector Business Entrepreneurship bij Fontys, is het risico op invloed van bedrijfsbelang ‘altijd latent aanwezig’ bij praktijkgericht onderzoek. Als dat door studenten wordt uitgevoerd, werkt een bedrijf bijvoorbeeld niet alleen mee ‘voor de wetenschap’, maar vaak ook om nieuw talent te scouten legt hij uit.

Waar ligt de grens van die invloed? “Wij zijn geen consultancybureau”, stelt Post. “Het is niet zo dat wij een vraag die vandaag gesteld wordt, overmorgen hebben opgelost, en dan ook nog gratis. Onderzoeksvragen moeten voor meerdere bedrijven relevant zijn.” Meestal is het zo dat Post en zijn collega’s zelf al een vraag hebben, en daar geschikte bedrijven bij zoeken voor praktijkonderzoek.

Politieke belangen
“Het hangt af van het domein waarin je werkt”, zegt Bart Nieuwenhuis, lector Business Service Innovation, over het risico van ongewenste invloed. “Ik kan me voorstellen dat bij sociaalwetenschappelijk onderzoek politieke belangen een rol spelen. Bij ons is er niet echt sprake van een al dan niet gewenste uitkomst, die iemand zou willen beïnvloeden. Vaak doen we onderzoek bij mkb’ers die de continuïteit van hun bedrijf willen waarborgen, en nadenken over de volgende stap. Ze komen met vragen zoals: ‘Ik ben goed in het maken van producten, maar ik hoor dat ik meer onderscheidend kan zijn door diensten te ontwikkelen. Maar wat voor soort diensten?’ Dat zijn leuke, interessante vragen, waar wij met onze afstudeerders goed mee kunnen helpen.”

Bart NieuwenhuisAnders dan bij Post, komen bij Nieuwenhuis de vragen dus wel vaak rechtstreeks van de bedrijven. Zijn die wetenschappelijk interessant genoeg? Niet altijd, bevestigt hij. “Voorheen ging een student vaak aan de slag met een vraag die een directeur-eigenaar had bedacht. Sinds een half jaar gaan eerst onze onderzoekers naar bedrijven, om in een tweegesprek een zo scherp mogelijke onderzoeksvraag te formuleren.”

Gevoelige data
Onderhandelen met partners in het bedrijfsleven is soms nodig, bijvoorbeeld over wat je wel en niet publiceert. Bedrijfsdata zijn vaak concurrentiegevoelig. Post openbaart die meestal niet. Analyses en conclusies wel. “Maar soms heb je casuïstiek nodig, voorbeelden om die conclusies te onderbouwen. We leggen zo’n casus altijd voor.” Het bedrijf beslist? “In mijn geval wel”, zegt Post. “Je hebt die bedrijven nodig, vaak participeren ze ook in het onderwijs. Maar in de regel kom je daar wel uit.”

Dat levert niet altijd de oplossing op die ook ‘wetenschappelijk’ het meest gewenst is. “Dat is een verschil met onderzoek in het academisch domein. Wij moeten vaker water bij de wijn doen”, denkt Post.

Publiek geld
Nieuwenhuis laat in zijn werk als lector vrijwel nooit iets weg op verzoek van bedrijven, zegt hij. “Ons onderzoek wordt met publiek geld gedaan, dus het hoort openbaar te zijn.” Bij zwaarwegende redenen wil hij wel een uitzondering maken voor de meest gevoelige gegevens. “In mijn werk voor de UTwente maak ik dat vaker mee. Als lector heb ik maar één keer met een bedrijf gesproken over een ‘non-disclosure-agreement’, maar uiteindelijk is dat niet doorgegaan.”

En dan de hamvraag: conclusies, worden die op verzoek weleens aangepast? Daar wordt nooit om gevraagd, zegt Nieuwenhuis. Post aarzelt. “Ja en nee. Soms zoeken we de nuancering op. We hebben ooit een onderzoek gedaan naar het gebruik van 3D-printers in de Brainportregio. Daar kwam uit dat sommige toeleveranciers heel actief zijn, en andere bedrijven achterblijven. Maar die bedrijven vonden zelf niet dat zij achterblijven: ze hadden argumenten om niet in die techniek te investeren. We passen in zo’n geval niet onze conclusie aan, maar noemen wel de argumenten van die groep bedrijven daarbij.”

Net als de universiteit
Integriteit is natuurlijk niet de enige voorwaarde voor goed onderzoek. De criteria daarvoor zijn in het hbo grotendeels gelijk aan die op de universiteit, zegt Nieuwenhuis. “Onderzoek moet relevant zijn, ambitieus, je moet op de hoogte zijn van alles dat er op jouw onderwerp gepubliceerd is. Het moet methodologisch oké zijn en op goede data gebaseerd. Het enige verschil is dat wij ons meer laten leiden door vragen uit de praktijk. Het gaat nooit om geïsoleerde kennis. De universiteit vindt meer echte nieuwe dingen uit. Wij zorgen dat je die kennis uit de wetenschap kunt gebruiken in de praktijk. ‘We know how to’.”

Visitaties
Maar hogescholen worstelen wel met het toezicht op de kwaliteit van onderzoek, zoals Bron eerder deze week al schreef. In 2016 werd een nieuwe regeling ingevoerd, die de verantwoordelijkheid verder bij de hogescholen legt. Zij moeten ervoor zorgen dat elke onderzoekseenheid eens in de zes jaar door een commissie van onafhankelijke deskundigen wordt bezocht (‘gevisiteerd’). Maar ze lopen achter. Bij Fontys is bijvoorbeeld het eerste visitatierapport nog in de maak.

In ieder rapport komen vijf criteria terug, waaronder de relevantie en ambitie van het onderzoekprofiel, een goede organisatie en het voldoen aan de standaarden in het vakgebied. Een willekeurig voorbeeld: het lectoraat ‘Professioneel Beoordelen’ van Zuyd Hogeschool krijgt een ‘goed’ voor haar onderzoeksprofiel (‘inspirerende, aanjagende rol’), een ‘excellent’ voor impact en een ‘voldoende’ voor zelfevaluatie. De visitatierapporten geven ook onderbouwde aanbevelingen voor verbetering.

Gemengd beeld
Alles bij elkaar geven de eerste dertien visitatierapporten een zeer gemengd beeld, zegt Emiel de Groot. Hij is secretaris van de CEKO, de commissie van de Vereniging Hogescholen die toeziet op de visitaties. “Er zijn een aantal onvoldoendes, maar er zijn ook eenheden als excellent beoordeeld.” De rapporten zijn openbaar. Dat zou de hogescholen die onvoldoendes krijgen genoeg moeten stimuleren om de kwaliteit van het onderzoek te verbeteren: sancties zijn er niet.

De CEKO vindt het ook niet erg als er onvoldoendes worden uitgedeeld: daar kunnen de hogescholen van leren. De commissie vindt het wel een probleem als de kwaliteit van de visitaties zelf niet deugt (zie het kader hieronder) – dat haalt immers het systeem van kwaliteitsbewaking onderuit. Volgens de CEKO waren twee van de dertien visitaties niet in orde.

Geen consequenties
Welke visitatierapporten niet deugen, maakt de CEKO niet bekend. Consequenties heeft een ondeugdelijke visitatie nog niet. “Als we nog een keer een visitatierapport van een hogeschool op dezelfde punten afkeuren, dan kunnen we natuurlijk vragen gaan stellen aan een CvB”, zegt De Groot. “En in een gesprek met alle collegevoorzitters, kunnen we wel naam en toenaam noemen.”

Of de hogescholen zich daadwerkelijk wat aantrekken van hun eigen kwaliteitscontroles, moet de komende jaren blijken.

Niet onafhankelijk genoeg, of inconsistent

Aan de eerste dertien visitaties van onderzoekseenheden in het hbo schortte nog weleens wat. In acht gevallen was niet duidelijk of de visitatiecommissie wel onafhankelijk en deskundig was. Een aantal keer ontbrak een getekende ‘onafhankelijkheidsverklaring’: die zijn vaak achteraf aangevuld. In elf gevallen was de kwaliteit van de aanbevelingen onvoldoende, en in acht gevallen was er niet genoeg ‘consistentie’ tussen de kwaliteitsoordelen en de inhoud. “Dan eindigt een mega-kritisch rapport bijvoorbeeld met het eindoordeel: uitstekend”, legt Emiel de Groot uit. Acht keer maakte het bestuur van een hogeschool zich te makkelijk af van haar reactie. Het eindoordeel van de CEKO: twee rapporten deugen ‘onvoldoende’, zeven ‘voldoende’ en vier zijn ‘goed’.