Studenten leren kritisch denken, niet wat daarna volgt
Er is weinig mis met het kritisch denken van studenten. Daar worden ze bij alle opleidingen van Fontys goed in onderwezen. Ze zien dan ook meestal heel goed waar iets mis is of gaat. Maar wat ze te weinig leren is hoe je vervolgens met die kennis omgaat, zo betoogt Fontysdocent Reinout Heydra in onderstaand opiniestuk. En dat is volgens hem minstens zo belangrijk.
In het onderwijs leren we studenten kritisch denken. Ze analyseren bronnen, stellen vragen bij informatie en leren macht in twijfel te trekken. Dat vinden we belangrijk in onze democratie. Maar daarin zit ook een beperking: wat er daarna volgt krijgt minder aandacht.
In het debat zie je dat terug. Kritiek komt snel, afwegen volgt later, als het al komt. Wantrouwen overtuigt makkelijker dan rustige afweging. We zien wat er niet klopt, maar wat we daarmee moeten doen blijft vaak onduidelijk. Die stap van analyseren naar oordelen en handelen blijft vaak uit.
Tegelijk wordt steeds meer verwacht dat mensen daar zelf hun weg in vinden. Burgerschap krijgt daarom meer aandacht. Polarisatie, complotdenken en dalend vertrouwen in de overheid en andere organisaties maken dat steeds meer bij mensen zelf komt te liggen. Het antwoord wordt dan vaak gezocht in kritisch denken en informatievaardigheden. Dat is begrijpelijk. In de praktijk verschuift de nadruk. Minder afwegen, meer het aanwijzen van wat er misgaat.
Wat begint als onderzoeken en zorgvuldig kijken, verandert in signaleren en ontmaskeren. Dat zie je terug in onderwijs, media en daarbuiten. Wat niet klopt trekt aandacht, terwijl wat daarna komt makkelijker wegzakt. Wat doe je met dat inzicht? Dat lijkt klein, maar daar gebeurt iets.
In lessen waarin studenten analyseren wat ze online tegenkomen zie je dat concreet. Ze herkennen snel hoe beelden worden gestuurd en hoe boodschappen inspelen op gevoel, bijvoorbeeld in discussies rond de manosfeer. Daarna blijven ze vaak steken in het aanwijzen van wat er niet klopt. Dat zie je niet alleen daar. Studenten leren bronnen analyseren en vragen te stellen bij veelgehoorde verhalen. Dat is nodig. Maar wie vooral leert kijken naar wat misgaat, leert minder wat daarmee te doen. Kritiek helpt dan minder om verder te komen en leidt eerder tot afstand.
Er wordt niet minder maar wel minder breed geleerd
Wantrouwen hoort bij een democratie. Zonder kritiek blijven fouten onzichtbaar. Maar er is een verschil tussen wantrouwen dat helpt om iets te verbeteren en wantrouwen dat het vertrekpunt wordt. Zodra dat laatste gebeurt, verandert ook de aandacht. Minder naar wat beter kan. Meer naar wat er mis is. Dat zie je ook in hoe we met informatie omgaan. Wat opvalt krijgt aandacht, wat werkt verdwijnt naar de achtergrond. Een enkel voorbeeld kan al snel het beeld bepalen. Zo ontstaat het gevoel dat er altijd iets mis is, ook wanneer dat niet het hele verhaal is. Daarmee wordt niet minder geleerd, maar wel minder breed.
Daardoor wordt het moeilijker om dingen echt te begrijpen. En juist dat is nodig om te oordelen en te handelen. Kritisch denken helpt daarbij, maar alleen wanneer het daar niet bij blijft.
Nederland doet het in veel opzichten goed. De levenskwaliteit is hoog en veel voorzieningen functioneren. Toch groeit het wantrouwen. Wat werkt raakt uit beeld, wat misgaat wordt zichtbaarder.
In het hoger onderwijs zie je dat ook terug. Studenten worden goed in analyseren, maar vinden het moeilijker om het grotere geheel te zien en ernaar te handelen. Ze herkennen waar dingen niet kloppen, maar minder wat hun eigen rol daarin is. Het probleem is niet dat ze te weinig zien, maar dat ze er vooral op afstand naar kijken.
Een democratie vraagt om betrokkenheid, zonder dat het nadenken en oordelen verdwijnt. Daar wordt ook het verschil zichtbaar tussen empathie en compassie. Empathie brengt je dichtbij, soms zo dichtbij dat er sneller geoordeeld wordt. Compassie voegt daar iets aan toe: afstand en de mogelijkheid om te handelen zonder jezelf te verliezen.
Kritisch denken blijft onmisbaar. Maar zonder wat daarop volgt blijft het halverwege steken, en daarmee suboptimaal.
Reinout Heydra is docentopleider Aardrijkskunde bij Fontys Educatie
Ik zou nog een accent willen toevoegen, en dat heeft niet zozeer betrekking op kennis over bronnen analyseren en vragen stellen of op de vaardigheid om iets te doen met een kritische analyse, maar op de houding. En dan in het bijzonder de houding om een oordeel uit te stellen. Het gaat dan om oordeelsvertraging. Deze vertraging betekent dat je afziet van het onmiddellijk omzetten van een eerste intuïtieve of emotionele reactie in een definitief oordeel. Je schort je oordeel op. Dus eerst luisteren, eerst doorvragen, eerst de context inventariseren en eerst alternatieve perspectieven overwegen, en dan pas het standpunt publiekelijk of definitief vastleggen. De ander benader je primair als een rationeel en verantwoordingsbekwaam wezen, en niet als warhoofd, boomer, schaap, wappie, enzovoort. Het oordeel wordt uitgesteld totdat serieuze pogingen zijn ondernomen om de redenen, motieven en context van de ander te reconstrueren en te begrijpen.
Dit is een tegenculturele praktijk binnen digitale communicatieregimes (zoals X, TikTok, enzovoort) die gericht zijn op onmiddellijke respons: je neemt de tijd voor je reactie en je weigert mee te doen aan het bouwen van de shitstormfeestjes van sociale media zoals X of Facebook, die voortdurend aandacht eisen. In plaats daarvan moet er ruimte zijn voor het besef dat je (nog) niet over voldoende informatie, rechtvaardiging of perspectiefneming beschikt om een afgewogen oordeel te kunnen geven.
Ik denk niet dat studenten opgevoed moeten worden om zo’n houding over te nemen; dat is niet mijn taak als docent kritisch denken. Maar je kunt studenten wel laten ervaren wat oordeelsvertraging inhoudt. Een voorbeeld: studenten krijgen een praktijkopdracht over morele dilemma’s. Ze gaan professionals uit het werkveld interviewen en hen bevragen over hun morele praktijkdilemma. Ze proberen te achterhalen wat precies het dilemma was, wat er op het spel stond, hoe het dilemma werd opgelost en wat hij of zij nu denkt over die oplossing. Zou hij of zij het nu anders doen?
Dat interview werken de studenten vervolgens uit door twee of drie belangrijke inzichten te noteren over zaken die hun zijn opgevallen in dit gesprek. Wanneer iedereen het interview heeft afgenomen en de korte notitie heeft gemaakt, kunnen zij met hun docent/coach en medestudenten alle bevindingen bespreken. In zo’n gesprek bespreken studenten met elkaar wat ieder persoonlijk heeft opgehaald uit het interview. De docent/coach stuurt het gesprek in de richting van waarden: welke waarden schuren en waarom schuren die waarden? En dan pas is er (eventueel) ruimte voor een eigen oordeel over het morele dilemma van de professional.