door Noëlle van den Berg,
21
september
2026
|
15:59
Europe/Amsterdam

Minder acceptatie homoseksualiteit: ‘Een olievlek’

De acceptatie van homoseksualiteit is de afgelopen vier jaar sterk afgenomen onder jongeren tussen de 12 en 16 jaar. Dat blijkt uit een vierjaarlijks onderzoek dat de gezondheid en welzijn van jongeren in kaart brengt. Binnen Fontys lijkt de trend niet aanwezig, maar toch baart de uitkomst van het onderzoek zorgen. “Iedereen moet zichzelf kunnen zijn.”

Iedere vier jaar wordt in vrijwel alle Europese landen het HBSC-onderzoek (Health Behaviour in School-aged Children) uitgevoerd onder kinderen tussen de 12 en 16 jaar. Uit dat onderzoekt blijkt volgens het Trimbos instituut dat Nederlandse jongeren veel negatiever zijn gaan denken over homoseksualiteit dan vier jaar geleden.

Waar in 2021 nog ruim 59 procent van de jongeren positief was over homoseksualiteit, is dat in 2025 gedaald naar 36,5 procent. De grootste verandering vindt plaats onder meisjes. Daar nam het percentage af van 78 naar 51 procent. Onder jongens daalde het van 40 naar 22. En dat terwijl de acceptatie de laatste paar jaar eigenlijk juist toenam.

Reinout HeydraOlievlek
Docent Reinout Heydra schreef in april nog een opinie voor Bron over de afnemende acceptatie van lhbtiq+ onder Nederlandse pubers. “Maar dat de acceptatie zo hard keldert, schokt me. Er is decennialang gewerkt aan bepaalde normalisering en dat is nu in een paar jaar weer volledig afgebroken”, reageert hij op de resultaten uit het onderzoek.

Volgens de docent heeft vooral de media, en sociale media in het bijzonder, daar een groot aandeel in. Denk bijvoorbeeld aan de manosfeer. “Al die anti-krachten krijgen gewoon vrij spel, als een soort olievlek die zich heel vlot uitspreidt. Daar moet actief op gehandeld worden, maar dat gebeurt eigenlijk niet. Sociale media versterkt het effect juist.”

‘Actie nodig’
Ook vindt Heydra, als docentopleider werkzaam bij Fontys Educatie, dat iedereen binnen Fontys de maatschappelijke plicht heeft om zich tegen deze ontwikkelingen te verweren. Na zijn publicatie had hij bijvoorbeeld een gesprek met Joep Houterman, voorzitter college van bestuur, en Martin de Wolf, directeur Fontys Educatie Tilburg.

“Beiden waren ontzettend meedenkend, maar een gesprek alleen of het plaatsen van regenboogvlaggen gaat er niet voor zorgen dat die olievlek krimpt. Daar is actie voor nodig. En ja, Fontys moet zich strategisch opstellen, maar de lhbtiq+-community maakt ook deel uit van Fontys, net als de mensen die daar misschien wat kritischer op zijn.”

Opvoeden en Fontysstudenten
De docent pleit er daarom voor dat iedereen oog heeft voor zijn of haar blinde vlekken. "Want velen vinden de lhbtiq+-acceptatie in woord heel belangrijk, maar als het je niet direct raakt, raakt het ook uit het zicht.” Daar ligt volgens hem ook nog een taak voor alle docentopleiders. “Als de jongere generatie zich hieraan vast blijft houden, geven ze het later ook door aan hun kinderen. En wie zijn de pedagogen die, naast de ouders, de kinderen opvoeden? De docenten.”

Op de vraag of studenten binnen Fontys zich of anderen binnen de opleiding herkennen in de dalende cijfers, zijn een aantal eerstejaarsstudenten Commerciële Economie heel duidelijk. “Iedereen moet gewoon lekker zichzelf kunnen zijn. We merken niet dat iemand in ons jaar moeite heeft met homoseksualiteit of de acceptatie ervan”, laat een van de studenten weten.

Links een Pride-vlag, campus RachelsmolenEen andere student is het daar mee eens, maar plaatst er wel een kanttekening bij. “De acceptatie moet er absoluut zijn, maar het hoeft ons ook niet opgelegd te worden. Ik denk dat alle Pride-evenementen, regenboog zebrapaden en demonstraties juist bij de jongere generatie intussen de neus uitkomen. Dus laten we vooral gewoon allemaal ons eigen ding doen, zonder iets te forceren.”

Goede gesprekken
Volgens het onderzoek is ook het aantal jongeren dat denkt dat hun homoseksuele of lesbische klasgenoten open kunnen praten over hun geaardheid gedaald van 60 naar 45 procent. Daar hebben ze binnen de opleiding Vastgoedkunde in ieder geval geen probleem mee, weten derdejaarsstudenten Sil en Lucas. “Een aantal van onze medestudenten zijn homo of lesbisch, en daar wordt juist gewoon over gepraat. Zij zijn niet per se anders dan wij omdat ze op hetzelfde geslacht vallen.”

Sil vindt dat de huidige generatie jongeren sowieso een beetje verpest is. “Velen zitten op een fatbike, hangen ’s avonds buiten en brengen heel veel tijd door op sociale media.” Lucas: “Ik denk dat er ook steeds meer religieuze invloeden zijn, bijvoorbeeld bij jongeren vanuit de moslimcultuur. Daar wordt homoseksualiteit niet geaccepteerd. Dat was binnen het Christendom ook nog zo, maar daar lijkt het nu eerder oké.”

Derdejaars International Communication Management-student Alexandru ziet ook geen enkele problemen binnen zijn studie, of op campus Rachelsmolen. “Het is een plek waar iedereen mag zijn wie hij of zij wil zijn. We zijn natuurlijk wat meer volwassen en laten ons niet snel beïnvloeden. Dat is bij de jeugd anders, die worden nogal snel meegetrokken door anderen, zowel online als door de omgeving. Maar hier doet iedereen vooral z’n eigen ding.”

Fontys Pride
Volgens een woordvoerster van Fontys Pride, de community die zich instellingsbreed inzet voor LHBTIQIA+-studenten en -medewerkers, zijn er geen harde cijfers te overleggen als het gaat over het af- of toenemen van de acceptatie rondom homoseksualiteit binnen Fontys. “Maar dit nieuws onderstreept wel eens te meer het belang van onze community. Want iedereen verdient een veilige onderwijsomgeving waarin je jezelf kunt zijn en optimaal kan leren.”

Reageren kan hieronder. Eenmaal gepubliceerde reacties worden niet verwijderd

Reacties 1 - 4 (4)
Bedankt voor uw bericht.
Tim Simonse
28
September
2026
Ik denk dat die percentages van 45% en 35% juist wel relevant zijn, omdat het artikel stelt: ‘De grootste verandering vindt plaats onder meisjes’. Ik lees dat als: binnen (‘onder’) de categorie meisjes is de verandering het grootst. Om te kijken of die stelling klopt, moet je kijken binnen de twee deelcategorieën (jongens en meisjes) hoe groot de verandering bedraagt die opgetreden is. De oude situatie/ percentages per deelcategorie dienen dan als referentiepunt / basisjaar. Die verandering valt voor de jongens groter uit: bijna de helft van de jongens die eerder wel tolerant was, is dat nu niet meer. Bij meisjes is dat iets meer dan een derde.
U hanteert die percentages in absolute zin, u kijkt naar de verandering in procentpunten. Dat zou toepasselijk zijn geweest bij de beantwoording van de vraag ‘welke categorie draagt het meeste bij aan de algehele daling van de acceptatie?’ Verondersteld dat beide groepen even groot zijn en je stelt ze beiden op 100, dan zou je inderdaad met uw getallen van 27 en 18 kunnen betogen dat van de algehele daling voor het grootste deel aan de deelcategorie meisjes toe te schrijven is. Dat is echter wat anders dan te stellen dat ‘De grootste verandering vindt plaats onder meisjes’. In dat geval zul je toch echt de procentuele verandering moeten bekijken per groep.
Ron Ritzen
26
September
2026
Hoezo apart? Als je uitgaat van 100 meisjes (de term die in het artikel wordt gebruikt), dan betekent dat een daling van 27 meisjes. Bij jongens gaat het om 18 jongens per 100 jongens. De percentages van 45 en 35 zijn in dat opzicht niet relevant.
Ron Ritzen
26
September
2026
In het artikel wordt gesproken over opvoeden door docenten. Dat roept bij mij drie vragen op.
De eerste vraag is wat je dan onder opvoeden verstaat.
De tweede vraag is wat studenten ervan vinden dat zij zich inschrijven voor een beroepsopleiding en vervolgens worden opgevoed op een manier die hooguit indirect te relateren is aan beroepsprofessionaliteit.
De derde vraag is meer principieel van aard: is het de taak van het hoger beroepsonderwijs, of breder nog van het onderwijs in het algemeen, om op te voeden? Dat gaat verder dan het creëren van een veilige leeromgeving en het faciliteren van het leerproces voor iedereen.
Tim Simonse
25
September
2026
Apart om in alinea 2 op basis van de cijfers daar tot de conclusie te komen dat 'De grootste verandering vindt plaats onder meisjes'. Een daling van 40% naar 22% acceptatie onder de jongens is procentueel een veel stevigere daling (45%) dan de daling bij de meisjes van 78% naar 51% (35%). Is deze conclusie voor rekening van BRON of van Trimbos?

Los daarvan: goed om deze inderdaad zorgwekkende trend ons aan te trekken, en te lezen dat collega's als Reinout zich daar namens ons hard voor bij maken bij directie en bestuur.