Sorry
Vijf letters. Eén van de moeilijkste woorden in de Nederlandse taal. Niet qua spelling, maar qua intentie. Kijk naar de politiek: daar wordt vooral strategisch spijt betuigd. “Ik betreur de gang van zaken” betekent meestal: “Ik hoop dat het morgen overwaait.” In relaties is het niet veel beter. “Sorry dat je boos bent geworden” is geen sorry, het is emotionele boekhouding. En “ik wist niet dat het zo erg was” betekent vaak: ik wist het wel, maar ik dacht dat ik ermee wegkwam.
En in het onderwijs? Daar is sorry inmiddels een verdwijnend vakgebied. Bestuurders en managers praten liever óm fouten heen dan er recht doorheen. Geen “sorry dat studenten slecht onderwijs kregen”, maar “we nemen de feedback mee.” Geen “sorry dat docenten uitgeblust zijn”, maar “we gaan in gesprek over vitaliteit. Of nog beter we richten een hub op.” Geen sorry voor de gedwongen ontslagen die gaan vallen.
Het blijft fascinerend hoe snel men omhoog kan vallen in dit systeem. Fouten worden niet gecorrigeerd, ze worden bevorderd. Wie beleid laat ontsporen, mag het vaak herzien — mét extra uren en een projectbudget. In het bedrijfsleven heet dat mismanagement. In het onderwijs: ervaringsleren.
En ondertussen wachten studenten op lessen die niet doorgaan. Docenten op erkenning die niet komt. En wie vraagt: “waar ging het mis?”, krijgt een PowerPoint over toekomstgericht leiderschap.
Echte sorry’s klinken anders. Ze zijn stil. Ongemakkelijk. Zonder ‘maar’. Zonder beleidstaal. Gewoon zoiets: “Ik heb het verprutst. Het spijt me.” Dat zou pas lef zijn. En ik verwacht geen knieval op het podium, geen boetedoening met koffie en koek. Maar een mailtje zou al mooi zijn: “Collega’s, Ik zie nu pas echt wat dit met jullie heeft gedaan. Sorry. Echt.”
Tot die tijd zeg ik het maar zelf: sorry dat ik het vraag. Maar uh waar blijft jullie sorry?
Tina ten Bruggencate is docent aan Fontys Hogeschool Toegepaste Psychologie en onderzoeker bij het lectoraat Ethisch werken. Lees hier haar eerdere columns voor Bron.