Opbrengst hybride leeromgevingen moeilijk meetbaar
In de hybride leer- en onderzoeksomgevingen van Fontys ontmoeten onderwijs en praktijk elkaar. En dat zou, zo was ooit het idee, veel opleveren voor alle partijen. Maar is dat ook zo? Bron zocht het uit.
Living Lab, authentieke leeromgeving of een professionele werkplaats. Geef het beestje maar een naam. Bij Fontys zijn ze voor de duidelijkheid ondergebracht onder de paraplu authentieke en hybride leer- en onderzoeksomgevingen, oftewel HLO’s.
Dit zijn plekken waar studenten en onderzoekers samen met professionals werken aan maatschappelijke vraagstukken. Dat gebeurt binnen de muren van een onderwijsinstelling, maar net zo goed ergens buiten in het werkveld.
Deze leeromgevingen hebben de afgelopen jaren niet alleen landelijk, maar ook binnen Fontys een enorme vlucht genomen, constateert ook Miranda Snoeren, lector professionele werkplaatsen. Zij doet onderzoek naar deze HLO’s en ziet een verschuiving plaatsvinden.
Ingewikkelde vraagstukken
Snoeren: “In 2001 zag de eerste hybride leeromgeving van Fontys het licht in een Eindhovens ziekenhuis, vanwege een tekort aan verpleegkundigen. Destijds was het idee dat je zo studenten kon werven en snel klaar kon stomen voor de arbeidsmarkt. Nu zie je dat de samenwerking in deze leeromgevingen vooral wordt opgezocht om kennis samen te brengen voor maatschappelijk ingewikkelde vraagstukken. Niet alleen in de gezondheidszorg, maar eigenlijk in alle domeinen.”
HLO’s zijn voor Fontys allang geen nieuw fenomeen meer. Online is er dan ook een speciale pagina aan gewijd. ‘Voor zover bekend’ staat daar te lezen, zijn er 126 van dit soort leeromgevingen. Maar omdat ze zoveel verschillende verschijningsvormen kennen en niet alle instituten ze dezelfde naam geven, zouden het er zomaar meer kunnen zijn, geeft Snoeren toe.
Maar waar danken deze HLO’s hun groeiende populariteit aan en nog belangrijker, wat leveren ze op? Die vraag krijgt Snoeren als onderzoeker steeds vaker voorgelegd, en dat vindt ze niet meer dan logisch.
“We zijn natuurlijk ooit begonnen vanuit de overtuiging dat deze omgevingen iets opleveren. Natuurlijk wil je dan laten zien of dat ook echt zo is en daar word je ook steeds meer op bevraagd. Niet alleen vanuit subsidieverstrekkers en de partners in het werkveld, ook Fontys zelf wil dat weten.”
Puntje van aandacht
Ook Bienke Janssen, die vanuit het lectoraat Professionele Werkplaatsen recent onderzoek deed naar de ervaringen van studenten in zo’n professionele werkplaats, vindt de vraag naar wat het oplevert zeer terecht. “We hebben bij Fontys te maken met teruglopende studentenaantallen, dan is ook de bekostiging voor dit soort omgevingen wel een puntje van aandacht. Dat maakt de urgentie om te laten zien wat de impact is en wat het op kan leveren, natuurlijk wel terecht.”
Maar daar zit tegelijk ook het probleem, merkt Snoeren, want het rendement van HLO’s is lastig te duiden. “Het is moeilijk om de impact meetbaar te maken, want het gaat niet alleen om harde cijfers die je in grafiekjes onder kunt brengen. De winst van deze hybride omgevingen zit juist erg in wat er tussen mensen gebeurt. Om dat duidelijk te maken moet je die verhalen vertellen.”
Student zoekende
Janssen tekende in haar onderzoek naar professionele werkplaatsen in wijken verschillende verhalen op van Fontysstudenten. Ze constateert dat veel van hen in het begin erg zoekende zijn, omdat ze niet goed weten wat er van ze wordt verwacht, maar later toch ook verrast zijn over wat ze kunnen bereiken.
“In de gesprekken met studenten krijg ik bijvoorbeeld terug dat ze juist veel hebben geleerd over het omgaan met onduidelijkheid en nu een beter beeld hebben van hun toekomstige beroep. Daarnaast zien ze dat impact maken in kleine dingen zit en veel minder in die vooraf bedachte grote impact.”
Iemand die deze verhalen vanuit de praktijk kent, is docent pedagogiek Bregje van de Pol. Drie jaar geleden begon zij als bruggenbouwer vanuit Fontys bij een HLO in Son en Breugel met het project De Stap naar Gezonder. Zij ziet dat niet alleen de student, maar iedereen profiteert van deze samenwerkingen in het werkveld.
“Het heeft even geduurd, maar inmiddels zie ik in de wijk allerlei verbindingen ontstaan, die van alles opleveren. De studenten leren veel door midden in de praktijk te staan, die vaak onvoorspelbaar is en waar ze steeds op moeten leren anticiperen. Maar ze brengen zelf ook kennis en nieuwe perspectieven mee, waar professionals, vrijwilligers en ook inwoners veel aan hebben. Zo reikt de impact veel verder dan alleen deze leeromgeving.”
Weinig flexibel
Van de Pol vindt het daarom ook jammer dat het onderwijs nog te weinig flexibel is als het om deze leeromgevingen gaat. Haar pleidooi is om de hybride leeromgevingen binnen de bestaande curricula meer ruimte te geven.
“Het lijkt erop dat docenten nog moeilijk handen en voeten kunnen geven aan hun samenwerking met de praktijk. Nu zie je bijvoorbeeld dat een student al een verslag moet inleveren, terwijl de opdracht hier nog helemaal niet klaar is. Of kunnen studenten moeilijk met elkaar samenwerken omdat er vanuit hun eigen studie hele andere dingen van ze worden verwacht. Om ervoor te zorgen dat HLO’s goed gaan aansluiten in een bestaand curriculum, denk ik dat het belangrijk is om beter te kijken naar wat er in de praktijk leeft.”
Om echt een succes te maken van deze leeromgevingen moeten ze volgens Janssen een veel prominentere rol krijgen, maar dat vraagt wel wat van het onderwijs. “Ik denk dat hybride leeromgevingen een heel mooi voorbeeld zijn van hoe je Fontys for Society echt in de praktijk kan brengen. Maar dan moeten we wel aan de bak, om ook ruimte te bieden in het curriculum om dat te kunnen faciliteren."