Na R10 ook geluiden over prikkels in nieuwste gebouwen
Ondanks de ophef die een aantal jaar geleden ontstond na de opening van gebouw R10 op campus Rachelsmolen in Eindhoven, lijkt het bij de drie nieuwste onderwijsgebouwen op de campus niet veel beter te zijn qua prikkelervaring. Net zoals bij de komst van R10 destijds het geval was, wordt er ook nu gesproken over het ervaren van te veel prikkels in R11, R12 en R13.
Marlou Heskes verbaast zich daarover, omdat ze meer dan zes jaar geleden veel tijd en energie stak in het geven van advies over de invulling van R10. Dat deed ze toen nog onder de vlag van Student+, een initiatief voor studenten met een ondersteuningsbehoefte, waaronder ook neurodiverse studenten of studenten met lichamelijke en/of psychische klachten.
“Wij hebben destijds een onderzoek geïnitieerd waarbij we onderzochten wat studenten nodig hebben om te ontprikkelen. We waren op zoek naar de ideale prikkelarme ruimte”, vertelt Heskes. In die hoedanigheid werd ze gevraagd om advies te geven over de invulling van het toen nog te bouwen R10. “Uit ons onderzoek kwamen drie kernpunten: daglicht, frisse lucht en planten. Die feedback hebben we doorgegeven, maar daar is niks mee gedaan. Helemaal niks.”
Open ruimtes
Voor de bouw van de drie nieuwe gebouwen is ze niet gevraagd, maar ook daar hoort ze nu dezelfde geluiden van medewerkers en studenten: veel prikkels, vooral voor mensen met neurodivergentie. Collega’s Ilonka van der Sommen en Ralinka Voermans, die zich net als Heskes inzetten voor neuro-inclusie binnen Fontys, ervaren en horen dat ook. Ze spreken allebei van grote, open ruimtes waar veel licht is, maar ook geluidsoverlast heerst. In lokalen is het vaak warm en bovendien zijn ze klein, waardoor je minder kunt doen aan prikkelregulatie omdat het snel vol is. [Tekst gaat verder onder de foto's]
“Wat ik fijn vind aan de gebouwen, is dat er veel licht is van buiten”, zegt Voermans over R11, R12 en R13. “Al ken ik ook veel mensen die diezelfde hoeveelheid licht juist heel intens vinden. Daarnaast is het soms ook lastig om een fijne werkplek te vinden waar je rustig kan zitten omdat veel werkplekken aangesloten zitten op de open ruimtes. In R13 kun je letterlijk de gesprekken op de verdieping boven je horen. Dat is best intens. Natuurlijk zijn er wel wat lokaaltjes waar je rustig kunt zitten, maar die zijn vrijwel altijd volgeboekt.”
Ze denkt dat de gebouwen met de beste intenties ontworpen zijn, maar dat de uitwerking ongelukkig heeft uitgepakt. “En ik denk ook dat er best wel wat mogelijkheden zijn om daar iets mee te doen”, vervolgt ze. Haar collega's bedachten daar een oplossing voor: ze wilden een community-ruimte creëren waar studenten zich rustig kunnen terugtrekken. “Maar daar wordt niet lekker in meegewerkt. Het plan ligt bij de facilitaire dienst en blijft daar waarschijnlijk ook liggen.” Een andere oplossing zou volgens haar kunnen zijn dat je de vele open stukken die de gebouwen kennen, afsluit zodat je meer stille werkruimtes creëert.
Afwegingen maken
Van der Sommen ziet net als Voermans zowel voor- als nadelen in de drie nieuwste gebouwen. “Terwijl ik met jou praat, zit ik in een kleine ruimte in R13. Daar is vloerbedekking en er zijn screens die je naar beneden kunt doen om het licht te dempen”, zegt ze. “Maar er zijn ook veel open ruimtes die qua geluid, geur en visuele prikkels heftig zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval in de grote hallen van R12 en R3. Het zijn publieke ruimtes en dus zijn ze toegankelijk voor iedereen. En daar moet ook rekening mee gehouden worden; je hebt mensen die snel gevoelig zijn voor prikkels, maar je hebt ook mensen die juist prikkels nodig hebben. We richten ons veel op overprikkeling, maar voor de onderprikkelde mens zijn die open ruimtes heel goed.”
Ze snapt dus dat er afwegingen gemaakt moeten worden. En dat er in de gebouwen een balans moet zijn van prikkelarme en open ruimtes. “In plaats van alles opnieuw te doen, kunnen we het beter op een andere manier aanpakken. Ik vraag me af in hoeverre medewerkers bekend zijn met de stille plekjes. Want als zij daar weet van hebben, dan kunnen ze die informatie ook doorgeven aan anderen. Mijn oproep zou dus zijn om de mogelijkheden kenbaar te maken aan docenten en studenten. Gebouwen kunnen we niet veranderen, maar we kunnen wel aanpassingen doen en laten zien wat er wél is.” [Tekst gaat verder onder de foto's]
Balans zoeken
De dienst Vastgoed & Facilitair laat desgevraagd weten dat er bij het ontwerp van de nieuwe onderwijsgebouwen rekening is gehouden met uiteenlopende gebruikersbehoeften, waaronder aspecten zoals licht, geluid, indeling, flexibiliteit van ruimtes en ontmoeting. “Tegelijkertijd geldt dat dit openbare gebouwen zijn, die door verschillende gebruikersgroepen en voor diverse doeleinden worden gebruikt. Dat betekent dat er altijd een balans moet worden gevonden tussen rust, interactie, toegankelijkheid en efficiënt ruimtegebruik. Volledige afstemming op alle individuele prikkelgevoeligheden is daarbij helaas niet haalbaar”, klinkt het.
Ook zegt de dienst dat neurodiversiteit en prikkelervaring belangrijke aandachtsgebieden binnen de leer- en werkomgeving zijn, en dat inzichten uit onderzoek en signalen van medewerkers en studenten ‘waardevolle input zijn’ om de inrichting en het gebruik van ruimtes waar nodig te verbeteren. “De ervaringen uit deze gebouwen en huidige signalen helpen om dit onderwerp blijvend onder de aandacht te houden en waar mogelijk mee te nemen in toekomstige (her)inrichtingen en ontwikkeling van nieuwe gebouwen, waarbij opnieuw wordt gezocht naar een zo goed mogelijke balans voor een brede groep gebruikers.”
En ruimtelijke aanpassingen om de akoestiek te verbeteren zijn ook altijd welgekomen.
Tegelijk wil ik graag een compleet ander perspectief voorstellen: dat van het aanpassen van ons eigen gedrag, het trainen van ons systeem, het leren omgaan met prikkels (ook mogelijk voor de neurodiversen!), kortom het toepassen van de inzichten van exposure-based cognitieve gedragstherapie.
Niet om de strijd voor een aangename, leefbare en werkondersteunende omgeving te staken; wel om ons te wapenen tegen de dagelijkse realiteit van een wereld vol prikkels.
Om de mogelijkheden binnen de onmogelijkheid te ontdekken. Want die zijn er zeker.
En ik leg graag uit hoe. Alleen weet ik niet hoe het zit met sluikreclame via dit kanaal voor m'n eigen bedrijfje... Dus laat ik het hier voor nu maar bij.
fijne & deugddoende vakantie iedereen! (mij valt het op dat ik na de vakantie vaak weer wat beter/meer prikkels kan verwerken)
Veel van de problemen die nu opnieuw worden benoemd, zijn allang bekend. Al jaren geven studenten en medewerkers aan dat er sprake is van geluidsoverlast, overprikkeling, concentratieproblemen, te weinig privacy en een gebrek aan rustige werk- en overlegplekken.
Wat mij vooral raakt, is dat hier destijds enorm veel tijd en energie in is gestoken. Er zijn studiedagen georganiseerd, werkgroepen opgericht, enquêtes gehouden, gesprekken gevoerd met studenten en medewerkers en er is samen met huisvesting en een architect gewerkt aan concrete oplossingen. Er lagen uitgewerkte ontwerpen, gedragen verbeterplannen en zelfs een businesscase om het gebouw aan te passen aan de praktijkervaring van de gebruikers.
Dat proces kostte honderden uren. Niet alleen van projectleiders, maar vooral van docenten, ondersteuners en studenten die bereid waren mee te denken omdat zij geloofden dat hun input serieus werd genomen. Er werd gevraagd om betrokkenheid, en die betrokkenheid was er ook.
Juist daarom voelt het wrang dat op een bepaald moment de stekker eruit werd getrokken. De analyses waren gedaan, de problemen waren helder, de oplossingen lagen op tafel en er was breed draagvlak. Vervolgens verdwijnt zo'n traject en zitten we enkele jaren later opnieuw dezelfde discussie te voeren.
Het gaat mij daarbij niet eens alleen om de inhoud van de plannen. Natuurlijk hadden die niet alle problemen opgelost. Maar het gevoel dat al het werk, alle studiedagen, alle gesprekken en alle inspanningen uiteindelijk voor niets zijn geweest, is moeilijk uit te leggen aan de mensen die zich daarvoor hebben ingezet.
Het artikel laat vooral zien dat de signalen van toen terecht waren. De zorgen die medewerkers en studenten destijds uitspraken, komen nu opnieuw naar boven. Dat zou aanleiding moeten zijn om niet alleen te kijken naar wat er mis is met het gebouw, maar ook naar wat er misgaat wanneer een organisatie zoveel kennis, ervaring en betrokkenheid verzamelt en daar vervolgens niets mee doet.
Want als mensen keer op keer worden gevraagd mee te denken, maar zien dat de uitkomsten uiteindelijk in een lade verdwijnen, dan raak je iets veel belangrijkers kwijt dan een verbeterplan: het vertrouwen dat meedenken zin heeft.