Eindhoven, Nijmegen,
21
juni
2017
|
11:48
Europe/Amsterdam

‘Gebruik gebaren helpt kinderen Downsyndroom bij hun taalontwikkeling’

Fontys-docent Stijn Deckers promoveert aan Radboud Universiteit

Bijna 250 Fontys-studenten werkten mee aan het promotieonderzoek van Stijn Deckers, docent Fontys Paramedische Hogeschool (FPH). Deckers laat zien dat het gebruik van gebaren de taalontwikkeling van kinderen met het downsyndroom helpt. Donderdag 29 juni promoveert hij aan de Radboud Universiteit.

Met zijn promotie weerlegt Stijn Deckers de veelgehoorde opvatting onder logopedisten, ouders en leerkrachten dat het inzetten van ondersteunende gebaren de ontwikkeling van het gesproken woord remt. Het is juist belangrijk om zo vroeg mogelijk met ondersteunende communicatievormen zoals gebaren te starten, concludeert hij. Meer over het onderzoek van Deckers is te lezen in het kader.

250 studenten, van wie een klein groepje studenten van de Radboud Universiteit en Universiteit van Leiden, hielpen mee met het onderzoek van Deckers. “We maakten video-opnamen van kinderen met het downsyndroom, deden tests, namen assessments af, spraken met leerkrachten, ouders en logopedisten. We hebben uren observatiemateriaal”, legt de docent uit. Hij trainde de studenten van tevoren. “Ze gingen daarna in tweetallen aan de slag en samen op pad.”

Verschillende disciplines
Deckers werkte vanaf voorjaar 2012 aan zijn promotie, onder leiding van associate lector Yvonne van Zaalen. Het is een van de onderzoeken binnen het lectoraat Health Innovation and Technology. “Het mooie van mijn onderzoek is dat er verschillende disciplines in samenwerken, zoals logopedie, fysiotherapie en podotherapie. Er is in de breedte gekeken naar het kind. Dat is ook precies het doel van de nieuwe studierichting Interprofessioneel samenwerken, waar ik docent ben”, vertelt Deckers.

Donderdag 29 juni promoveert Deckers aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Het is de bedoeling dat zijn onderzoek wordt opgenomen in de onderwijsprogramma’s van relevante opleidingen. Bij FPH is dat al het geval, Deckers hoopt dat ook andere relevante opleidingen het overnemen. De resultaten gelden overigens niet alleen voor mensen met het Downsyndroom. Ook mensen met problemen in taal en communicatie door andere oorzaken kunnen er baat bij hebben. [PM]

Meer weten over het onderzoek van Stijn Deckers? Lees dan onderstaand artikel van de wetenschapsredacteur van de Radboud Universiteit, Iris Kruijen.

Gebaren stimuleren taalontwikkeling bij Downsyndroom

Kinderen met het Downsyndroom hebben vaak een vertraagde taalontwikkeling, zowel in het begrijpen als het uiten van taal. Zeker in de eerste jaren gebruiken ze veel ondersteunende signalen zoals gebaren. Gedragsonderzoeker Stijn Deckers laat zien dat deze gebaren de taalontwikkeling ondersteunen en pleit voor veel meer aandacht voor alternatieve communicatievormen, ook bij andere communicatieve beperkingen.

Onvolledig beeld
Gebaren en andere ondersteunende communicatievormen worden vaak niet meegenomen in onderzoek naar de woordenschatontwikkeling van kinderen met het Downsyndroom. Daardoor bestaat er een onvolledig beeld van hun mogelijkheden, stelt Deckers. ‘Tijdens mijn onderzoek, waarin ik ruim veertig kinderen met het Downsyndroom volgde, heb ik kinderen ontmoet die tot wel 300 woorden in gebaar gebruikten, maar nog niet of nauwelijks konden spreken.’

Hij concludeert dat de taalontwikkeling van kinderen met het Downsyndroom sterk vergelijkbaar is met die van normaal ontwikkelende kinderen, indien er wél rekening wordt gehouden met andere vormen van communiceren. De veelgehoorde opvatting onder logopedisten, ouders en leerkrachten dat gebarenwoordenschat de gesproken woordontwikkeling remt, is dus onterecht. Het is juist belangrijk om zo vroeg mogelijk met ondersteunende communicatievormen zoals gebaren te starten.

Beter afstemmen
Er zijn veel processen van invloed op de taalontwikkeling, bijvoorbeeld aandacht, geheugen, en motorische vaardigheden. Nu werken de logopedist, fysiotherapeut, en/of leerkracht regelmatig langs elkaar heen, ondanks de beste bedoelingen. “Ik volgde bijvoorbeeld een meisje met het Downsyndroom dat naar een reguliere groep 1 ging. De leerkracht had speciaal gebarenles genomen en ging met pictogrammen werken, die was dus goed voorbereid. Maar in de klas bleek het meisje helemaal achterin te gaan zitten met haar rug naar de docent toe, omdat ze anders te veel prikkels kreeg en zich niet goed kon concentreren. Ze had dus helemaal niets aan de extra visuele ondersteuning.”

“Zorgprofessionals moeten onderling beter afstemmen welke vorm van ondersteunde communicatie op welk moment nuttig is. Bovendien moeten zorgverleners in opleiding op die manier leren denken, over de grenzen van hun eigen beroep. We moeten interprofessioneel opleiden en samenwerken. Daar heeft mijn onderzoek al aan bijgedragen: in totaal hebben zo’n 250 studenten van Fontys Hogeschool en de Radboud Universiteit meegeholpen met huis- en schoolbezoeken en dataverzameling.”

Niet alleen voor Downsyndroom
De resultaten gelden niet alleen voor mensen met het Downsyndroom, maar eigenlijk voor iedereen met communicatieve beperkingen. Denk aan spraak- en taalproblemen door een beroerte, niet-aangeboren hersenletsel, of intensive care-patiënten met een buisje in de luchtpijp. “Dat je niet kan praten, betekent niet dat je niet kan communiceren. Verschillende patiëntgroepen zouden baat hebben bij extra aandacht voor ondersteunende communicatievormen.”

“Ik deed jarenlang vrijwilligerswerk bij stichting Wigwam. Zij bieden kinderen met een meervoudige beperking een-op-een begeleiding tijdens vakanties. In 2009 begeleidde ik een jongen die minimaal communiceerde, hij sprak en gebaarde niet. ‘We hebben het idee dat er veel meer in hem zit, maar het komt er gewoon niet uit’, zeiden z’n ouders.

Tijdens de vakantie zongen we iedere ochtend een goedemorgen-liedje, waarin het gebaar voor goedemorgen wel honderd keer terugkwam. Na drie dagen gebaarde hij goedemorgen naar mij! Toen ik het terug gebaarde, lachte hij. Zijn ouders stonden versteld, het was echt een doorbraak. Daarna hebben we extra op gebaren gefocust. Aan het einde van de vakantie kende hij vijftien gebaren. Dat was het moment dat ik inzag wat je met ondersteunde communicatie kunt bereiken. Op dat moment wist ik zeker dat ik hiermee verder wilde.”

Stijn Deckers
Stijn Deckers (Heerlen, 1987) studeerde Pedagogische Wetenschappen aan de Radboud Universiteit. Hij deed zijn promotieonderzoek bij Fontys Paramedische Hogeschool te Eindhoven en de Radboud Universiteit in Nijmegen. Zijn onderzoek valt binnen het overkoepelende RAAK PRO project ‘Praten kan ik niet…, maar communiceren wil ik wel!’, gesubsidieerd door Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA. Naast zijn werk is Deckers de voorzitter van de Nederlands/Vlaamse afdeling van de Internationale Vereniging voor Ondersteunde Communicatie (ISAAC-NF).

Naschrift Stijn Deckers (3 juli):
Naar aanleiding van dit artikel heb ik veel reacties gekregen. Het gaat dan met name om deze zin: ‘De veelgehoorde opvatting onder logopedisten, ouders en leerkrachten dat gebarenwoordenschat de gesproken woordontwikkeling remt’. Meerdere logopedisten zijn het hier volledig mee oneens en geven aan dat ik hiermee een verkeerd beeld schets van de expertise en kennis van logopedisten met betrekking tot het inzetten van ondersteunende gebaren bij kinderen met Downsyndroom. Dat was uiteraard en absoluut niet de bedoeling van het artikel, noch van mijn onderzoek. Er is veel deskundigheid bij logopedisten die betrokken zijn bij de ondersteuning van kinderen met Downsyndroom, dat heb ik in al die jaren ook van dichtbij mogen meemaken. Dat wil ik graag extra benadrukken. Uit de gesprekken met onder meer logopedisten, leerkrachten en ouders van zo'n 60 kinderen met Downsyndroom in de leeftijd van twee tot zeven jaar bleek toch dat nog enkele logopedisten en meerdere ouders géén gebaren of andere communicatievormen wilden inzetten, omdat ze er vanuit gaan dat dit de spraak- en gesproken woordontwikkeling kan remmen.
Het bericht wil ik hiermee dan ook graag nuanceren. Het is géén veelgehoorde opvatting, maar aangezien er wel nog altijd geluiden in die richting wijzen, is het goed om daar aandacht aan te blijven besteden. Overigens geeft dit nieuwsbericht slechts een klein deel van mijn daadwerkelijke onderzoeksresultaten weer. Ik deel de rest heel graag met u. Als u mij een e-mail stuurt, dan stuur ik u graag een PDF van mijn proefschrift. Voor vragen of opmerkingen ben ik zeker ook bereikbaar: stijn.deckers@fontys.nl.