Leestekens en subsidies
Het afgelopen jaar schreef ik een aantal subsidieaanvragen. Het meest opvallende daarbij vond ik de obsessie van subsidieverstrekkers met de hoeveelheid tekst. Bijvoorbeeld, je krijgt de vraag: wat is de impact van je project, en die moet je dan beantwoorden in maximaal 500 woorden. In grote letters staat erbij dat je onder geen beding het aantal woorden mag overschrijden. Inclusief woorden in plaatjes, wordt er vaak bij vermeld om potentiële slimmeriken voor te zijn.
Andere subsidieverstrekkers doen in tekens. Maximaal 3000 tekens! Meestal is dan onduidelijk of dat in- of exclusief spaties is. Is een spatie een teken? Kan lege ruimte een teken zijn? Is een ‘e’ met een trema 1 of 2 tekens?
Waar is de tekenleraar wanneer je hem nodig hebt?
Ik zou zeggen, lieve subsidiemensen, laat los die aantallen woorden en tekens. De schrijver van de subsidie zou centraal moeten staan en niet de lezer! En trouwens zonder woordenlimiet filter je de breedsprakige en oninteressante mensen er meteen uit. Zeker nu je tegenwoordig ChatGPT hebt om de tekst terug te brengen tot precies 500 woorden.
En ja, mijn subsidieaanvragen worden steeds afgewezen. Eerst eentje van 80k, toen nog eentje van 80k en daarna eentje van 175k. Maar dat heeft er niets mee te maken. Sterker nog, ik zie het als vooruitgang. Ik ga er nu voor eentje van 400k en als die ook afgewezen wordt, misschien probeer ik dan wel om overtuigend in precies 1.500 woorden naast een miljoen te grijpen.
De lat kan nooit hoog genoeg liggen.
Rens van der Vorst is technofilosoof, werkt bij Fontys hogescholen ICT en Engineering en is auteur van diverse boeken waaronder Digitale Gremlins. Lees hier de eerdere columns die hij voor Bron schreef.