Fijne en minder fijne geuren
Als mijn hond heel blij en enthousiast in een weiland aan het rollen is, dan weet ik genoeg. Ze is zich lekker aan het wentelen in een dode kikker of muis, het liefst eentje in een zo ver mogelijke staat van ontbinding. Thuis gekomen verspreidt de geur van het dode dier zich langzaam door de woonkamer. “Ieuw” roepen mijn kinderen “heeft Beer weer in een dood dier lopen rollen?”
Schijnbaar is wat Chanel NO 5 is voor ons mensen, de geur van dode kikker voor mijn hond. Sowieso zijn geuren belangrijk voor mijn hond, ze neemt de wereld om haar heen waar met haar neus. Ook voor ons mensen is ons reukvermogen een belangrijk zintuig.
Het belang van geur deed me denken aan het nature en nurture debat wat ik laatst had met mijn collega Henk Verhoeven voor studenten van de minor Filosofie en Ethiek. Deze minor is overigens ontzettend interessant en leuk. En vooral inhoudelijk erg sterk. Laten we hopen dat dat zo mag blijven. Waarom is er trouwens geen systeem waarin studenten minoren kunnen vergelijken en beoordelen? Deze minor zou volgens mij hoog eindigen.
Terug naar geuren en het nature-nurture debat. Geuren zijn namelijk bepalend als we een partner zoeken om onszelf mee voort te planten. Schijnbaar zoeken we iemand die qua genen de best mogelijke combinatie is en doen we dit aan de hand van de lichaamsgeur. In dit kader heb ik eens de gebruikte handdoek van een vriendje bewaard omdat deze zo lekker rook. Erg nature dus en vanuit de evolutie geredeneerd.
Maar geuren hebben ook een sterke nurture component, ze kunnen je terugbrengen naar plekken en herinneringen. Dingen die we vanuit onze opvoeding hebben meegekregen. De geur van Nivea zonnebrandolie, van lavendel, van natte stenen. De geur van Zwitsal en van de soep van je oma. Heel sterk nurture dus.
Maar wat het ook is, nature of nurture, aan de geur van een dode kikker zal ik nooit kunnen wennen.
Tina ten Bruggencate is docent aan Fontys Hogeschool Toegepaste Psychologie en onderzoeker bij het lectoraat Mens en Technologie.