Een procent meer ongelijkheid
Ze kregen zes procent loonsverhoging. Wij kregen vijf. “Ach,” zei iemand, “wat maakt één procent nou uit?” Nou. Alles eigenlijk. Eén procent is precies het verschil tussen champagne en priklimonade. Tussen Marie Antoinette en de Parijzenaars die haar hoofd eraf zagen rollen. Want als geschiedenis ons iets leert, dan is het dit: als de kloof te groot wordt, vliegt er vroeg of laat iets de fik in.
We leren dit uit de geschiedenis (waar we in het onderwijs ook meer van zouden moeten leren). Neem Lodewijk XVI en zijn kekke koningin, Marie Antoinette. Terwijl zij verrukkelijke taartjes aten van gouden borden en zich verveelden in Versailles, vroor de rest van het volk zowat dood in tochtige huisjes met niks dan een stuk oud brood. En toen was er la Révolution! Kapmessen, guillotine, en weg met de elite.
Wij zijn natuurlijk beschaafder. Wij sturen geen vorsten naar het schavot, wij sturen boze mails. Of erger nog: we posten passief-agressieve LinkedIn-updates. Maar het gevoel is hetzelfde: ongelijkheid wringt. Niet alleen in geld, maar vooral in waardering.
Want als je als bestuurder 6,3 procent krijgt en de rest vijf procent, dan zeg je eigenlijk: mijn werk is belangrijker dan het jouwe. Terwijl we allemaal weten dat het de conciërge, de leraar en de zorgverlener zijn die de boel draaiende houden. Niet de mensen met een PowerPoint vol kernwaarden en een leaseauto. En ja, je kunt zeggen: bij een hoger salaris is vijf procent sowieso al meer in euro’s. Dus waarom dan die zes? Omdat het kan? Omdat de spreadsheet het goedkeurt?
Volgens econoom Thomas Piketty gaat het mis als rijkdom zich blijft opstapelen bovenin. Dan verdwijnt de sociale mobiliteit, groeit het wantrouwen en kwijnt de democratie. Niet meteen. Maar langzaam. Onderhuids. Tot het knapt.
Dus ja, beste bestuurders. Misschien denk je dat dat ene procent niet zoveel voorstelt. Maar het is geen getal. Het is een signaal. En wij lezen signalen best goed tegenwoordig.
Dus nee, we hakken geen hoofden af. Maar we zien het wel. En we slikken het niet meer zoet, zoals de taartjes van Marie Antoinette.
Tina ten Bruggencate is docent aan Fontys Hogeschool Toegepaste Psychologie en onderzoeker bij het lectoraat Ethisch werken. Lees hier haar eerdere columns voor Bron.
Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn de consumentenprijzen in Nederland tussen januari 2011 en oktober 2025 met in totaal ongeveer 49% gestegen. Hoewel de inflatiecijfers voor de laatste paar maanden van dit jaar nog niet bekend zijn, kunnen we toch wel vaststellen dat de groei van de salarissen de inflatie dus meer dan volledig heeft gecompenseerd.
Er zijn overigens flinke verschillen tussen de verschillende salarisschalen. Anders dan sommigen misschien denken te weten, zoals de schrijfster van deze column, zijn het niet de mensen in de hoogste salarisschalen, maar de mensen in de laagste salarisschalen die hun inkomen tussen 2011 en 2026 procentueel het meest zagen stijgen: Hoe lager de schaal, des te groter de toename in salaris. Zo stegen de salarissen van collega's in schaal 1 met 62,34%, maar die van collega's in de schalen 16, 17 en 18 'slechts' met 46,14%. Medewerkers in schaal 13 zagen hun koopkracht noch stijgen, noch dalen: de groei van hun salaris hield gelijke tred met de inflatie. Alle medewerkers in schalen lager dan schaal 13 zullen in januari 2026 meer koopkracht hebben dan in 2011, terwijl medewerkers in hogere schalen juist een heel klein beetje koopkracht hebben ingeleverd.
In werkelijkheid zullen de salarissen van de meeste medewerkers na 2010 nog meer zijn gestegen dan hierboven aangegeven, dit dankzij een of meer bevorderingen naar een hogere salarisschaal of dankzij opschuiven naar een hogere trede in de salarisschaal.
Mijn persoonlijke conclusie: we hebben het nog niet zo slecht in het HBO. :-)
Zou andersom moeten zijn.
Vraag me af of bestuurders wel de berichten van Bron lezen, laat staan de reacties.
Voor de volledigheid een eenvoudig rekenvoorbeeld:
A. Een bedrag van 100 wordt verhoogd naar 110. Dat is een verhoging van 10%
B. Een bedrag van 100 wordt verhoogd naar 111. Dat is een verhoging van 11%
Het verschil tussen A en B, dus tussen 10 en 11 is 1. En een is eentiende deel van 10 en daarmee 10% (een geen 1%!)
Passen we deze berekening toe op het verschil tussen 5% en 6,3% dan levert dat 26% als uitkomst op.
Private sector werkt echter met meer schimmigere constructies, zoals aandelen en dividenden. Waarbij inkomsten uit arbeid minder belast worden .
Krijgen beiden een verhoging van 5%, dan krijgt de persoon met minimumloon maar liefst € 125 bruto per maand extra. Joep krijgt dan € 12.500 bruto per maand meer. Met 6,3% zelfs € 15.750. Dat is meer dan een maandsalaris verschil.
Gezien het toch al veel te forse verschil, zou het mooier zijn als de bestuurders zouden inzien dat de onderste lagen het bedrijf overeind houden, dus dat die laag 6,3% moet krijgen en dat ze zelf genoegen nemen met wat dan nog overblijft. Dat is namelijk nog steeds een flink bedrag.
De indexering valt relatief hoog uit ten opzichte van de huidige ontwikkeling van de cao-lonen. Dit komt doordat de indexering van topinkomens voor 2026 is gebaseerd op de loonstijgingen uit 2024.