De balzaal en de Witte Dame
Een paar jaar geleden werd bij ons een complete verdieping verbouwd. Geen bescheiden opknapbeurt met een likje verf en een nieuw koffieapparaat. Nee, een transformatie. Moderne open ruimtes. Hippe meubels. Inspirerende werkplekken. Een feestelijke opening. Volgens mij was er zelfs een prijsvraag. Het had allemaal iets van Extreme Makeover: Onderwijseditie.
Ondertussen daalden de studentenaantallen al geruime tijd. Maar daar leek niemand wakker van te liggen. De muziek speelde nog. En als de muziek speelt, blijf je dansen. Twee jaar later moest de verdieping dicht. Je weet wel. Reorganisatie en zo.
Ik moest eraan denken toen ik las over de plannen voor een nieuwe balzaal van Trump. Een balzaal en een onderwijsverdieping zijn natuurlijk niet hetzelfde. Het een heeft meer kroonluchters, het ander meer systeemplafonds. Maar ze lijken wel voort te komen uit dezelfde gedachte: dat groter indrukwekkender is en indrukwekkender automatisch beter. Dat uiterlijk iets zegt over inhoud. En misschien speelt er nog iets anders mee. Ego.
Niet per se het soort ego dat de hele dag selfies maakt of zijn naam op gebouwen wil zetten. Maar het bestuurlijke ego dat graag iets nalaat. Iets zichtbaars. Een nieuwe verdieping. Een nieuw onderwijsconcept. Een ambitieuze reorganisatie. Liefst iets waar later nog eens naar gewezen kan worden.
Want laten we eerlijk zijn: niemand krijgt applaus voor drie jaar degelijk onderwijs. Een spectaculaire verbouwing doet het een stuk beter op LinkedIn. En dus bouwen we leerpleinen, innovatiehubs en inspirerende omgevingen. We verzinnen er woorden bij als toekomstbestendig, wendbaar en impactvol. Het ziet er prachtig uit. Alleen blijft één vraag vaak opvallend lang liggen. Wordt het onderwijs er eigenlijk beter van?
Want een indrukwekkende ruimte geeft nog geen indrukwekkend onderwijs. Een open leerplein is nog geen leerproces. En een visionair plan is nog geen goed idee. Sterker nog, soms krijg ik het gevoel dat hoe mooier de presentatie wordt, hoe minder we het over de inhoud hebben.
Terwijl die inhoud uiteindelijk de enige reden is waarom studenten überhaupt binnenkomen. Dus staan we een paar jaar later soms in een prachtige ruimte waar nauwelijks nog iemand loopt. Met leegstand, reorganisaties en de vraag hoe dit ooit een goed idee heeft kunnen lijken.
De balzaal staat er misschien nog. Maar de rekening ligt inmiddels op tafel.
Tina ten Bruggencate is docent aan Fontys Hogeschool Toegepaste Psychologie en onderzoeker bij het lectoraat Ethisch werken. Lees hier haar eerdere columns voor Bron.
De vorm (open ruimte/werkvloer) wordt nu vaak verward met de bedoeling (open leeromgeving).
Daarnaast wordt een open ruimte al snel als "authentiek" gepresenteerd, maar openheid alleen maakt leren nog niet betekenisvol. Soms is juist beslotenheid of nabijheid nodig om iets te laten landen, maar dan moet je wel precies weten hoe (student) nabijheid in het hedendaagse onderwijs er van dichtbij uitziet en dat antwoord vind je waarschijnlijk niet in de beleids of bestuurskamer.
Om aan te sluiten bij dit artikel: als je die grote ruimten "kantoortuin" noemde dan was je uiteraard aan het vloeken in de kerk. Nee, dit zijn OILs: Open Innovation Labs. Fantastische term voor wat feitelijk gewoon een kantoortuin is, met alle problemen van dien. En het onderwijs? Tja, docenten die daar een probleem mee hadden die moesten maar veranderen, die gebruikten een oude didactiek...
En om nog meer aan te sluiten: dat hele gebouw was voor FICT, ondertussen is door krimp het halve gebouw afgegeven aan andere Fontys afdelingen, die in die kantoortuinen meteen klaslokalen zijn gaan bouwen. Want lesgeven dat ging niet fatsoenlijk.
Fontys, denk groter. Of zoiets.