Taalbewust lesgeven: hoe doe je dat?
Of je nou internationale studenten in je klas hebt die de voertaal niet spreken, eerstejaarsstudenten die het vakjargon niet kennen of studenten met bijvoorbeeld dyslexie: zo’n beetje elke docent krijgt ermee te maken. Maar hoe ga je daarmee om? Daar gaat lector Marina Bouckaert met haar nieuwe lectoraat een handje bij helpen.
Het lectoraat Taalbewust en inclusief opleiden van Fontys Educatie bestaat al sinds januari, maar in oktober wordt lerarenopleider Marina Bouckaert officieel als lector geïnstalleerd.
Er lopen al verschillende projecten, met als voorbeeld eentje uit Limburg, waar gewerkt wordt aan een learning design studio die gericht is op de wens van de provincie Limburg om toe te werken naar een Deel-III erkenning van de Limburgse taal als formele taal. Een ander voorbeeld is gericht op ondersteunend tekenen voor kinderen met een taalontwikkelingsstoornis.
Het lectoraat valt onder Fontys Educatie en is dus vooral bedoeld voor lerarenopleiders. Maar in principe zijn alle docenten van Fontys opleiders, en dat maakt het interessant voor iedereen. Daarom deed Bron een rondje op de campus, waar we bij willekeurige docenten de volgende drie dilemma’s en voorbeelden ophaalden van situaties die zij zelf in de klas meemaakten. En waar we Bouckaert als nieuwe lector op laten reageren.
1. Een student (bijvoorbeeld uit Syrië of Oekraïne) die noch Nederlands noch Engels spreekt.
“We leiden op voor de Nederlandse beroepscontext, dus als je uit zou gaan van het leren van het Nederlands als tweede (of derde of vierde) taal, dan hebben we vooral gewoon geduld nodig. Een taal leren kost nou eenmaal tijd. Studenten geven we het advies om in hun eigen tijd zoveel mogelijk in het Nederlands te lezen of Nederlandse series te kijken met Nederlandse ondertiteling. Wat dat betreft vind ik het ook heel erg dat de mediatheken weg zijn; die stonden bol van wetenschappelijke literatuur, handboeken en non-fictie én waren een belangrijke ontmoetingsplek om in gesprek te raken.
Met het lectoraat hopen we hieraan bij te kunnen dragen door bewuster stil te staan bij de rol die taal speelt in het onderwijs, maar ook door studenten er nauw bij te betrekken. Participatie creëren door samen met studenten een inclusieve leeromgeving vorm te geven. Bijvoorbeeld door het gesprek aan te gaan over wat hun talige achtergronden zijn en welke kwaliteiten ze al meenemen. Iedereen gelijkwaardig behandelen en hen tot hun recht laten komen. Emancipatie en participatie; dat is wat we voor ogen hebben.”
2. Studenten die het vakjargon niet kennen of een kleinere woordenschat hebben.
“Ten eerste is dat nu ook een maatschappelijke trend die – denk ik – heel erg te maken heeft met de dalende leesvaardigheden. Door veel te lezen en praten, en eigenlijk gewoon zoveel mogelijk met taal bezig te zijn, ontwikkel je je woordenschat. Dat zit hem dan niet alleen in het vakjargon dat ze moeten leren, maar ook echt in de meest basale woorden.
Eigenlijk wil je als docent zoveel mogelijk taalvaardigheden aan elkaar koppelen in een college of een project, zodat ze de kans krijgen om zich die taal eigen te maken. En wederom: geduld. Want ook vaktaal leer je niet van de één op de andere dag.”
3. Studenten met een taalachterstand, zoals studenten met dyslexie. Die moeten – bijvoorbeeld bij een scriptie – aan dezelfde taalnormering voldoen als alle anderen.
“Het belangrijkste is dat we de student centraal zetten. Wat zijn de ondersteuningsbehoeften per persoon en hoe geven we daar een passend antwoord op? Kijk binnen de opleiding naar de mogelijkheden en naar een basisniveau van wat binnen de beroepscontext aan taalvaardigheden past. Wat vraagt die beroepscontext van een student en hoe belangrijk is het dat alles op het gebied van taal accuraat is en perfect qua vorm?
Verder adviseren we studenten ook altijd om thuis om hulp te vragen, bijvoorbeeld bij het nalezen van een scriptie. En daarnaast is er natuurlijk ook AI. Mag een student daar gebruik van maken? En zo ja: in welke mate?”
Complex vraagstuk
Het zijn drie veelvoorkomende voorbeelden, maar daarmee zijn we er natuurlijk nog lang niet. Bouckaert geeft aan dat taal een complex vraagstuk is dat constant in ontwikkeling is. “Taal gaat niet alleen om instrumentele taalvaardigheden, maar ook om het bewustzijn van wat taal doet. Als je een verslag schrijft dat bomvol spelfouten staat, dan wek je een bepaalde indruk bij de lezer. Of als je heel informeel communiceert en op die manier een pitch geeft voor je beroep, dan doet dat iets met de toehoorder. Kortom: taalbewustzijn is zowel voor studenten als docenten superbelangrijk. Het is letterlijk overal.”