KNAW wil wettelijke bescherming academische vrijheid
De academische vrijheid verdient betere bescherming in de wet, vindt wetenschapsgenootschap KNAW. “Het politieke landschap in Europa en de Verenigde Staten is een teken aan de wand.”
Mogen wetenschappers hun eigen nieuwsgierigheid volgen en hun inzichten vrijelijk met studenten delen? Mogen ze samenwerken met collega’s van over de hele wereld of zitten daar beperkingen aan?
Het vorige kabinet wilde advies van wetenschapsgenootschap KNAW over de academische vrijheid, oftewel de vrijheid om te doceren en te onderzoeken wat je wilt. Hoe zit het met die vrijheid? Wat zijn de bedreigingen?
En het kabinet had nóg een vraag. Hoe zit het met de vrijheid van meningsuiting in de wetenschap? Durven studenten en docenten nog wel voor hun mening uit te komen?
Vrijheid beschermen
Twee vragen, twee rapporten, twee conclusies. De politiek moet de academische vrijheid in de wet beschermen, vindt de KNAW. En de vrijheid van meningsuiting? Daar moeten politici zich niet mee bemoeien.
Hoofdauteur van het rapport over academische vrijheid is hoogleraar rechtsgeleerdheid André Nollkaemper. In de dagelijkse praktijk is deze vrijheid niet goed beschermd, meent hij, en dat ligt mede aan de wetgeving.
Want daarin staat alleen maar dat de academische vrijheid aan universiteiten en hogescholen “in acht wordt genomen” en het is niet duidelijk wat dat betekent. En de Grondwet zegt er niets over. Dat is een groot verschil met de vrijheid van meningsuiting, legt hij uit, want die staat wél in de Grondwet en ook in Europese verdragen. De vrijheid van meningsuiting is dus beter beschermd.
Waarom heeft de academische vrijheid nu opeens juridische bescherming nodig, en vroeger niet?
Nollkaemper: “Uit Europese vergelijkingen blijkt dat de situatie in Nederland inmiddels behoorlijk zorgelijk is. De ruimte voor vrije wetenschap is beperkt. We zien ook dat sommige onderzoekers met haatcampagnes te maken krijgen. Bovendien is het politieke landschap in Europa en de Verenigde Staten een teken aan de wand. We beseffen nu beter hoe belangrijk academische vrijheid is en ook wat er gebeurt bij een kanteling van politieke meerderheden. Daarom moeten we hierover nadenken: hebben we het goed geborgd? Wij denken van niet.”
Voorziet u ook in de Nederlandse politiek problemen voor de academische vrijheid?
“Er lag al wetgeving over kennisveiligheid op tafel die een flinke inperking zou betekenen. De overheid wilde studenten en onderzoekers screenen voordat ze hierheen mochten komen. Ook de wetgeving rond internationalisering en de onderwijstaal perkte de vrijheid van onderwijsinstellingen in. Maar die wetsvoorstellen zijn voorlopig van tafel.”
Wat verwacht u van een juridische borging voor academische vrijheid? Komen er dan ook rechtszaken over?
“Er is inderdaad een risico dat meer mensen zich op hun academische vrijheid gaan beroepen, maar dat is de prijs die je betaalt voor wettelijke bescherming. Ik heb geen kristallen bol, maar misschien komt er een rechtszaak als een onderzoeker van het universiteitsbestuur niet mag samenwerken met de fossiele industrie of met een Chinese universiteit. Of misschien wil iemand lesgeven over een omstreden theorie, bijvoorbeeld op het gebied van klimaat of migratie. In Gent kwam laatst een wetenschapper in opspraak die over raciale verschillen in intelligentie schreef: zulke kwesties zouden tot een rechtszaak over academische vrijheid kunnen leiden.”
Moet je de grenzen van deze vrijheid dan aan de rechter overlaten?
“Het hoeft niet altijd tot een rechtszaak te komen. We kunnen zelf vroegtijdig met elkaar het gesprek aangaan: wat valt onder de academische vrijheid en wat zijn de beperkingen? Je kunt bijvoorbeeld niet zomaar over alles lesgeven, want studenten volgen een bepaalde opleiding en die zit op een bepaalde manier in elkaar.”
Onze academische vrijheid kan botsen met die van anderen. Als je bijvoorbeeld samenwerkt met Israël of China, hoe zit het dan met de academische vrijheid van Palestijnen of Oeigoeren?
“Het is uiteindelijk maatwerk. Je kunt onderzoek doen dat op zichzelf niets met onderdrukking te maken heeft, maar naarmate het daar dichterbij komt, kan het een reden zijn om van samenwerking af te zien. Dat is aan de academische gemeenschap.”
Ook de toenemende afhankelijkheid van private opdrachtgevers is volgens u een bedreiging voor de academische vrijheid. Dat verandert waarschijnlijk niet met nieuwe wetgeving.
“Als de financiering van de wetenschap terugloopt, dan stijgt de druk om extern geld te vinden en dat is een risico: je kunt dan minder goed je eigen onderwerp bepalen. Onderzoekers moeten dan de wetenschappelijke integriteit in de gaten houden. Hoe ga je met de resultaten naar buiten? Je bent geen willoos slachtoffer, je bent een speler, maar het wordt wel moeilijker naarmate de wetenschap minder ruimte krijgt.”
Defensie trekt nu de portemonnee voor onderzoek en innovatie en daar springen de universiteiten op in. Leveren ze dan hun academische vrijheid in?
“Extra geld is op zichzelf geen bedreiging voor de academische vrijheid. Het ligt er dus aan hoe de samenwerking wordt ingericht. In alle gevallen moet de vrijheid van wetenschappers geborgd zijn. Ze kunnen prima samen met Defensie een vraag bedenken, maar hoe gaan ze hun onderzoek uitvoeren? Dat zou aan de wetenschappers moeten zijn. En hoe transparant kunnen ze zijn? Ze moeten ook de ruimte hebben om nee te zeggen.”
Misschien denken ze bij de overheid: wie betaalt, bepaalt.
“Dan hoop ik dat deze rapporten tot nadenken stemmen. Wetenschappelijk onderzoek moet vrij zijn, dus degene die betaalt mag niet de inhoud bepalen. De rapporten komen inderdaad wel op een kritiek moment, ook voor de wetenschap zelf. Academische vrijheid komt met een zekere verantwoordelijkheid om er goed voor te zorgen.”
Je zou kunnen denken: pas op wat je wenst. Wordt een wettelijk bepaalde academische vrijheid geen stok om mee te slaan als een wetenschapper aan een talkshowtafel over iets buiten zijn of haar vakgebied praat?
“Je moet het niet te nauw zien. Wat is iemands expertise? Onderzoek doen betekent vaak dat je nog niet alle antwoorden weet. Bovendien zijn wetenschappers getraind om met een wetenschappelijke blik te kijken naar problemen. Met die blik kunnen ze heus weleens iets zeggen over andere vakgebieden dan hun eigen.”
Tegelijk met het rapport over de academische vrijheid verschijnt het KNAW-rapport over de vrijheid van meningsuiting in het hoger onderwijs en de wetenschap. Daarmee moet de overheid zich zo min mogelijk bemoeien, vindt hoofdauteur Ineke Sluiter, voormalig KNAW-president en hoogleraar Griekse taal en letterkunde.
De vrijheid van meningsuiting hoort bij een vrije samenleving. Is dat eigenlijk niet vanzelfsprekend?
Sluiter: “We hadden inderdaad snel klaar kunnen zijn, maar de vrijheid van meningsuiting roept toch altijd weer vragen op. Dit is niet het eerste rapport erover en het zal niet het laatste zijn.”
Waarom moet de politiek zich er niet mee bemoeien?
“Vrijheid van meningsuiting is uitstekend geborgd in de Grondwet, andere wetgeving en ook in het Europese verdrag voor de rechten van de mens. En wetenschappers hebben een gedragscode die voorschrijft dat ze zo transparant mogelijk moeten zijn over hun rol in publieke debatten. Dat is voldoende. Als je de vrijheid van meningsuiting nader gaat invullen met nieuwe regels, dan ben je die eigenlijk aan het inperken.”
Wat kan de politiek dan wél doen?
“Dat is het probleem, politici willen iets doen. Ze reageren vaak op incidenten en willen dan krachtdadig overkomen. Maar terughoudendheid vergt ook een zekere moed. Als het over incidenten aan de universiteiten gaat, moeten ze iets vaker zeggen: dit is niet aan ons.”
De ophef binnen en buiten de universiteit gaat vaak over gevoelige kwesties, zoals samenwerking met landen als China en Israël. Die gaat vast niet verdwijnen met dit rapport.
“Nee, maar als het goed is zorgt de vrijheid van meningsuiting ervoor dat je over zulke kwesties een echt debat kunt voeren met de academische gemeenschap en de medezeggenschap. Net als politici moeten ook universitaire bestuurders zich daarin terughoudend opstellen en in elk geval transparant communiceren. Unanimiteit zul je nooit krijgen, maar na een debat weet je wel waar draagvlak voor is.”
In het rapport legt u aan studenten uit dat de collegezaal een ‘brave space’ is. Wat is dat? “In de collegezaal kun je soms onwelgevallige theorieën horen en dat hoort erbij: studenten zijn aan het leren, ze krijgen met onderwerpen en standpunten te maken die ze nog niet kennen. Als dat in het onderwijs niet kan, waar dan ooit nog wel? Studenten moeten elkaars ruimte en standpunten respecteren. De meesten kunnen daar prima mee leven. Dat geldt eigenlijk voor alle punten die we benoemen: verreweg het meeste gaat goed. Bijna alle debatten en colleges verlopen probleemloos.”
Toch lopen de emoties soms hoog op, bijvoorbeeld als het over de slavernij gaat of klimaatverandering. Is dat een probleem?
“Nee, je bestudeert die onderwerpen juist omdat ze gevoelig liggen. Er is in de wetenschap bijna altijd sprake van een zeker engagement. Vaak denken mensen dat dat alleen voor de sociale wetenschappen geldt, maar als je bijvoorbeeld biodiversiteit bestudeert is dat ook omdat je de waarde ervan inziet. In het onderwijs en onderzoek moet je natuurlijk wel zorgen dat je je analyses niet door emoties laten bepalen.”